Een loge kent leerlingen, gezellen en meesters. Die indeling heeft een symbolische betekenis.

Bij toetreding word je leerling, meestal na een jaar gezel en na nog een jaar meester. Aan het begin van elke fase vindt een inwijdings- of overgangsrituaal plaats. Leerlingen, gezellen en meesters samen vormen de loge. Aan het hoofd van elke loge staat een voorzittend meester. Zij of hij leidt de bijeenkomsten. Die vinden wekelijks, tweewekelijks of maandelijks plaats, behalve in de zomermaanden.

 

Sociale functie
De vrijmetselarij is ontstaan uit zogenaamde gilden van bouwlieden die in de middeleeuwen in West-Europa kathedralen bouwden. Ging het oorspronkelijk om echte ambachtslieden, later kregen ook niet-handwerkslieden toegang tot de gilden. Die gilden kregen meer en meer een sociale functie. Tegenwoordig gaat het om vrijmetselarij in symbolische zin. Werkend aan de 'ruwe steen', dat wil zeggen aan jezelf, proberen vrijmetselaren bewuster in de samenleving te functioneren en zo voor anderen en zichzelf in het dagelijks leven meer te betekenen. Zo bouwt zij of hij aan een betere wereld.

 

De oorsprong van de vrijmetselarij gaat volgens sommigen veel verder terug. Zo wordt verwezen naar oude mysteriën en filosofieën. Bijvoorbeeld de Pythagoreeërs, Egyptenaren of Kabbalisten. Met zekerheid valt daarover echter niets te zeggen.